Vanuit het warme Tupiza in het zuiden van Bolivia nemen we ´s ochtends om 4.00 uur de bus naar de Boliviaanse/Argentijnse grens. We zijn onderweg naar Salta en we hebben nog best een stuk te doen dus we willen bij de douane staan als ze open gaan. Argentinie is open van 7.00 tot 20.00 uur.
Direct na het oversteken van de grens merk je al dat je in een ander land bent. Alles is bestraat, er rijden Renaults en Peugeots. De mensen zijn groter en zien er heel westers uit. Geen draagdoeken en klederdracht meer. Twee buurlanden en dan zulke enorme verschillen.
Het eerste wat we doen is natuurlijk een steak eten en wijn drinken. De lente is begonnen in Argentinie en dat betekent zomerse temperaturen en tot ´s avonds laat op het terras. Tijden zijn hier een beetje anders dan we gewend zijn, want voor 23.00 uur ga je hier niet aan tafel. En wil je je niet als een toerist gedragen ga je pas rond middernacht aan tafel. Even wennen de eerste dag, maar gelukkig hebben ze hier tapas om de tijd en trek de stillen.
We are enjoying our time so much that we don´t have the time to translate everything in english, french or spanish but we are sure you can figure out our "reisschema" (travel itenary) and hostel information. The "verhalen" (stories and adventures) you have to experience yourself.
Potosi is de hoogste stad ter wereld (4070 m) en ooit een zeer rijke stad door de zilvermijnen die er al heel lang zijn. Natuurlijk is het meeste zilver met de spanjaarden meegegaan. Maar ook Piet Heijn heeft er mee te maken gehad !!
Op dit moment zijn de mijnen nog steeds in gebruik. Het zilver is bijna op, maar een mix van zink, lood en zilver is nog steeds te vinden. Zo´n tienduizend mijnwerkers zijn dagelijks aan de slag, simpelweg omdat er geen ander werk is. Een gemiddelde mijnwerker verdient honderd USD per maand en dat is bijna twee keer het gemiddelde inkomen in Bolivia. Met een beetje geluk kunnen ze 25 tot 30 jaar dit werk doen. Van geluk mag eigenlijk niet gesproken worden. Het grootste gedeelte van zijn leven brengt ie onder de grond door, met de garantie dat ie niet ouder wordt dan 45 tot 50 jaar want ben je overleden aan stoflongen, lood- en/of asbestvergiftiging.
Moderne slaven-, kinderarbeid. Ze beginnen meestal bij de veertien, vijftien jaar, maar we kwamen er ook een van tien tegen. (ook hier moeten ze eigenlijk tot hun zestiende naar school!). De omstandigheden zijn zo armoedig; geen stofmaskers, machines, liften, gemotoriseerd transport, zelfs geen noodvoorzieningen.
Temidden van asbest, lood en andere lekkere stoffen, hakken mannen, de hele dag door kauwend op coca bladeren, met beitel en houweel de rotsen los en duwen ze de hele dag de mijnkarretjes (Indiana Jones gezien?) met stenen en stof naar buiten of blazen met dynamiet, weer en stuk van hun berg weg.
Potosi was zo rijk, dat met al het zilver, de spanjaarden een brug hadden kunnen bouwen van Potosi naar Madrid!!!!
Potosi is zo arm, dat met alle botten van de overleden slaven er een tweede brug naast gebouwd had kunnen worden!!!!
Dat simpele dingen gelukkig kunnen maken, hebben we al eerder ervaren; schone kleren, een goede douche of een schone pot. Belangerijker nog, een schitterend uitzicht met een zonnetje. Maar in Sucre waren we toch wel even simpelweg gelukkig toen we in de zon op een patio van een cafe, bitterballen en rose geserveerd kregen. Geen Meester of Dobbe, maar minstens net zo lekker op dat moment.
Sucre is genieten, Sucre is luxe. Het is de capital of chocolate, we eten ´s middags taart, het klimaat is droog en warm en we hebben een drie sterren "Grand Hotel"-kamer met salon/patio en slaapkamer. Het is relaxed. Sucre heeft een schitternd plein met keurig aangelegde perkjes, fontijnen en tuinmannen. Het is tenslotte de hoofdstad.
Inti Warra Yassi is de naam van een opvangpark in Villa Tunari, het begin van de jungle in Bolivia. We wilden dit project graag eens bezoeken en reizen af naar de jungle. Allerlei verwaarloosde dieren worden er opgevangen; poema´s, jaguars, verschillende soorten apen en allerlei papagaaien. We bezoeken dit park wat bijna geheel door vrijwilligers wordt gerund. Eigenlijk alleen maar, wat een wat chaotisch en rommelig tintje geeft. Maar goed, het gemiddelde dier dat hier wordt binnengebracht is er meestal erger aan toe. Het doel is om de dieren terug te zetten in het wild, maar dat is maar zelden mogelijk. De poema´s zijn zo toegetakeld dat ze nooit meer zelf kunnen jagen en de apen zijn zo aan mensen gewend dat ze niet meer zonder kunnen.
Een van de poema´s van 8 maanden oud die recentelijk is binnen gebracht woonde al vanaf dat hij 1 maand oud was bij mensen als huisdier op het erf. Ze werden toch wat bang van hem toen hij wat ouder werd. En toen hij een kip te pakken had, besloten ze allebei zijn achterpoten maar te breken dan was hij minder gevaarlijk. Je kunt je voorstellen hoe dit dier er nu bijloopt. Een van de aapjes zag in Denis een beste vriend en stond er op dat Denis zijn eten op at. Hij duwde het gewoon naar binnen.
We blijven een nacht in Villa Tunari. Het dorp stelt niet veel voor, maar het is te ver om in een dag op en neer te gaan. De hitte en vochtigheid zijn eigenlijk te veel. Dit komen we gelukkig niet elke dag tegen.
Het is vier uur terug naar Cochabamba en alle bussen zijn vol. Zodoende eindigen we uiteindelijk staand in het gangpad. Achteraf valt die vier uur staan best mee. Eenmaal aangekomen in Cochabamba, hebben we precies anderhalf uur om een plaats te regelen op de nachtbus naar Sucre, een rit van ongeveer elf uur.
De weg van La Paz naar Coroico is zo´n 65 km lang, begint net buiten La Paz op 4800 m en eindigt 3700 m lager. Een gewone weg zou je zeggen. Niet helemaal; over bijna de gehele lengte is het onverhard en zo smal dat twee auto´s, laat staan twee vrachtauto´s elkaar niet kunnen passeren. (Het is de enige weg in Bolivia waar je links moet rijden, handig waneer je een tegenligger kruist, met je hoofd uit het raam zet je je auto op een of twee cm van de afgrond). Om het allemaal nog iets spannender te maken, moet je ook oppassen voor de blubber onder en na de watervallen en lager in het dal, de enorme hoeveelheden stof .
Resultaat: Met stip de gevaarlijkste weg ter wereld en dus een ideale afdaling voor Downhillers.
Neemt niet weg dat ruim honderd mensen per jaar, meestal passagiers van bussen en trucks, de rit niet overleven. Ongeveer elke 6 weken gaat er wel een wagen het ravijn in.
Half negen, we gaan met een grote groep van start. Eerst een serieuze uitleg en een uitgebreide materiaal check, schokbrekers, hydrolische schijfremmen, handschoenen, reflecterende hesjes en natuurlijk een helm. Bij de start met heel veel kleding aan, 4800m is koud. Het eerste stuk gaat hard naar beneden over een redelijk brede en verharde weg, tranen in de ogen door de koude wind.
We beginnen aan het onverharde stuk. De temperatuur stijgt, het stof neemt toe en de adrenaline evenredig. Met fluitsignalen worden we door de voorste gids (Truck bate genoemd) gewaarschuwd voor trucks die naar boven komen. Fietsend inhalen gaat niet. Voorzichtig naast het ravijn afstappen en wachten tot ie voorbij is. Nog even wachten, want de stofwolk ontneemt je elk zicht. De stofmaskers die we dragen zijn geen overbodige luxe. In het begin probeer je de kruisjes langs de weg te tellen, maar al snel geef je het op.Vier uur lang knijp je meer of minder in je remmen, zit je geconcentreerd te sturen, alleen tijdens de pauzes geniet je van de ongelooflijke natuur. Echt loodrechte muren, zowel naar boven als naar beneden, tot ruim een km. Eenmaal in het dal is het tropisch warm en het stof en zweet hebben ons veranderd in een soort mijnwerkers. Maar;
We did it, We survived The Most Dangerous Road. met een T-shirt als bewijs.
Het dorpje Coroico is erg leuk en we blijven lekker een nachtje om te relaxen en te genieten van het mooie weer. Plannen om te gaan hicken (wandelen) en paardrijden gooien we overboord. Er zit hier en leuk restaurantje wat wordt gerund door twee fransen; terras met uitzicht over zwembad en vallei....wij komen de middag wel door!